Poetry

Roanne occasionally writes poetry, both in English and Dutch. Here is a selection of her recent poems.

Please be mindful of copyrights. If you want to share any of Roanne's texts, kindly refer to the owner.


Bed-inn

Keep the curtains shut,
preserve the orange morninglight,
allow to linger longer,
wrap tighter,
our limbs
And speak of nothing
through words

Let’s not ask for the clock’s opinion,
Let time be measured in sounds
penetrating glass and skin,
in shadows moving
on white ceiling

No need to turn on the heaters, love,
No need to turn on the news,
stay here,
where it’s still, and warm

Evenings with you

Come in
and take off the worries
you were dressed in, today
let your eyes get used to the dark
of the night
and the light
in my fingertips

With foreheads slowly touching
the whispers grow louder,
the kisses salter

Indirect break-up

You say you didn’t see it coming
but you could have heard the applause died out,
you could have felt that my hands were red and swollen

Was there always this much night,
I asked,
and so little space in this room?

You laughed, but
I told you
there wasn’t enough air
and I’ve not enough lungs
to blow out the sigh
that relieves

Lovemaking

Pillows fall to the floor
Skin shivers
Fingers linger, as
Your lips come to rest
Gently atop mine.
Strong and necessary
Like morningcoffee on a workday
Maybe we’ll get dizzy from the pace of us
Maybe you are all the calm inside of me

Wish

I wish I knew the taste of clouds
and the smell of a family,
one built not given
I wish I knew how to treasure memories,
and trick time

Ochtendrituelen

Sluimeren in geel licht
als in de schatkist van de dag
op straat brengt een bromvlieg
vast mensen naar kantoor

Het moeilijke gesprek
liep vannacht goed af, denk je
opgelucht,
tot de wekker waarschuwt voor een droom

Waterdruppels warmen zich vast voor -
anticiperen vingers, zeep; troost
schrobben, rulle stof die wrijft,
de slaap uit je ooghoeken

Achter het raam zweven waterverfwolken
daarvoor wacht
het lege bed
geduldig op meer

Aanloop naar een einde

Een tijd lang leefde ik in een huis dat het mijne niet was
met de man die de mijne ooit was
met boeken die niemand las
kunst die niemand zag
een tafel waar alleen ik aan at

Achter het glas schuifelden telkens
dezelfde vrouwen en honden op en neer
heel soms een meneer
eerst fluisterend, dan flemend dan roepend dan schreeuwend

Vaak keken ze naar binnen,
die mensen, met die honden,
omdat ze zich schaamden voor hun boosheid, wist ik,
of voor mijn uitblijven daarvan, dacht ik

Binnen de huid werd er verbroken en ingepakt,
verhuisd en gehuild,
daarbuiten geen beweging

Wat wij niet zien

Onder de grond reiken boomwortels elkaar de hand
geleidt water in aarde
worstelen wormen zich door een wereld die donker ziet
Omgekeerd van water,
dat in duister verzinkt, de diepte in – boven blijft het licht achter,
verwordt hier het zwart, tot bruin, tot rood.

Onder de grond vlamt vloeibaar vuur,
stuwt hitte circulair –
wringt stof water door gesteente,
dat buigt

Omgekeerd van lucht,
die opwaarts beweegt, - weg van warmte,
kromt hier de hitte een kern om zichzelf.
Zoals bovengronds een bast om vezel,
een moedereik om sprieterig kroost

Nacht

Als alle lichten uit zijn,
het duister ons roept
de bossen branden,
de branden knetteren
leg ik mijn oor op je hart
en verzamel slaapmoed

Het donker bromt
de koelkast zoemt
je borst wiegt
gedachten dralen

Daar waar haren krullen,
ruist zacht je adem

Mama

Ik moet je nog vertellen dat ik gescheiden ben, mam,
dat er nachten waren die eeuwig duurden,
en dagen die maanden duurden,
en uren van weken,
waarin ik beweerde van niet maar niets hielp
waarin ik bezwoer van wel maar niets hielp

Maar het gaat nu weer goed met me, mam,
ja echt,
de liefde zorgde voor tijdsinflatie,
een nieuwe man blies net zo lang op mijn wonden, tot het bloed stolde

Kleuterglimlach in een gerimpeld gezicht
fijn liefje, maar –
of ik niet eens naar school moet,
straks wordt de juf weer zo boos

Stadsgezicht

Mist legt een schoonheidsfilter over de straten,
de huizen,
de katten die in alle achtertuinen de scepter zwaaien

Waterkoud
zoals in Groenland, daar zijn de mensen
kort van stuk en stof,
ze dragen fleecetruien en laarzen van bont,
ze dragen twintig woorden voor sneeuw mee

Een nevelflard hangt boven de klinkers
als een biddende arend
een kat gromt een waarschuwing
die haar trillende staart direct weerspreekt

Het snuift zoals het schaatst

Blauw was zijn gezicht
Niet van kou maar van licht
Hoe kort een vader ook kijkt
Het is altijd te lang, de richting verkeerd
Broek, hand – die ging op en neer – pas toen naar het profiel
Blauw was zijn voorhoofd, de wangen rood

Deur dicht
Zachtjes
Hoorde hij het?
Nee: het snuiven gaat door
Zachtjes

Wie is dit kind, vraagt zijn verwekker zich af
En is het wel een kind
Dit gehijg, die verbeten blik
En dan herinnert hij zich:
Het snuift zoals het schaatst

Tak-tak-tak
Snelle passen op het ijs
De lippen blauw de wangen rood
Hijgend naderbij
Kijk dan, pap,
Kijk dan wat ik kan

Veertien

We telden de zoenen.
Niet de jongens,
Maar de zoenen

Voor ik de bar verliet fluisterde ik beloftes in oren,
Van sommigen begreep ik wat ze inhielden
Woorden van afscheid zonken weg als crème in huid,
Sigarettenrook kleefde aan haarschubben

Blote voeten lieten stempels
achter op klinkers,
de straat geel verlicht,
de hoge hakken in de hand,
dat was maar beter ook,
want zonder die tien centimeter
paste het maar net,
dat eenpersoonsbed

Awkward ontmoeting met ex

We dringen onze lippen een glimlach op,
Zeggen hoi waar we dag bedoelen,
Goed, waar slecht

Ontdekken overblijfsels uit een gedeeld leven,
nog net zichtbaar
maar niet langer zinvol,
denk aan tepels bij de man

Was het zonde,
onze gezamenlijke tijd,
zoals de hopen fermenterende sinaasappels op het Spaanse platteland,
of waren we ergens goed voor,
zoals ze vaak zeggen,
al weet ik dan nooit wie ze zijn, en wat ergens is, en wat goed

In dat geval wachten we het best op een volgende ontmoeting.
Misschien schiet onze bedoeling ons dan te binnen